Koolrabi kan zowel onder glas als in volle grond geteelt worden. De knol die boven de grond gevormd wordt, is eigenlijk een verdikking van de stengel aan de voet van de plant, waarop de bladeren zijn ingeplant. Deze knol kan een diameter van 5 tot 15 centimeter bereiken, afhankelijk van de groeiomstandigheden. Er zijn twee groepen koolrabi, namelijk de groene (of witte) en de blauwvioletkleurige rassen.
Bodem
Iedere grond kan voor de teelt van koolrabi in aanmerking komen, enige voorwaarde is dat hij goed doorlatend is. Er kan uiteraard een structuurverbeteraar oppervlakkig ingewerkt worden, zoals turf of gemalen houtschors. Koolrabi wortelt zeer oppervlakkig in de bovenste grondlaag, waardoor deze gevoelig is voor structuurbederf en wateroverlast. Groeistoornissen dienen vermeden te worden om het uitschieten te voorkomen. In het jong stadium van de plant heeft hij weinig water nodig, maar bij de omvang van 3 tot 5 centimeter is een extra watervoorziening van de planten nodig. Zeker in droge en warme perioden. Voor de oogst moet er voorzichtig water gegeven worden, om het barsten van de knollen te vermijden.
Bemesting
Zaaien
Koolrabi kan zowel onder glas als in de open lucht geteeld worden. Er zijn diverse soorten teelt, met ieder hun eigen periode. Voor deze periodes verwijzen we graag naar het teeltoverzicht onderaan deze pagina. De optimale temperatuur voor de kieming is hoog voor de koolrabi, namelijk 20 รก 25 graden. De kieming van de zaden komt echter al op gang vanaf 5 graden. Koolrabi kan het beste in perspotjes van 4 tot 5 centimeter gezaaid worden. Voor de vroege teelten wordt in een verwarmde kas gezaaid van november tot eind maart. Temperaturen beneden de 12 graden zijn tijdens de opkweekperiode nadelig, omdat hierdoor het uitschieten bevorderd wordt. Latere zaaiingen kunnen onder koud glas of in de volle grond op een wachtbed plaatsvinden, of ter plaats in mei. Na ongeveer 6 weken (in de zomerperiode) tot meer dan 2 maanden voor degene die in november gezaaid zijn, kunnen de planten uitgeplant worden.

Voor de vroege glasteelt wordt een onderlinge afstand van 20 x 25 centimeter aangehouden, terwijl dit voor de herfstteelt in open lucht 30 x 40 centimeter bedraagt. Het gevaar voor botrytis en valse meeldauw is in deze periode namelijk vele malen groter.
Oogsten
In een vroege teelt kan er geoogst worden wanneer de knollen een diameter van 7 centimeter hebben. In de zomerperiode streeft men naar een ontwikkeling van 10 centimeter. Wacht niet te lang met oogsten, dit levert knollen op die houterig worden en gaat uitschieten. Na het uittrekken van de plant, wordt de pinwortel (of het pootje) weggesneden of afgeknipt met een snoeischaar. De onderstaande bladeren worden verwijderd, zodat de bovenste bladeren als een pluim behouden blijven. Dit verwijderen kan zowel voor als na het uittrekken van de planten plaatsvinden.